De Donkere Kamer #7: Fotografie Leeft!

Leidt men collectief aan verstandsverbijstering of is het glas inderdaad half vol? Bij De Donkere Kamer wordt de fotografie tenminste positief belicht. Het zijn donkere dagen, het is wintertijd, maar in Pakhuis De Zwijger is het warm en wordt er hartelijk gelachen. Lars Boering (FotografenFederatie) en Edie Peters (PhotoQ), voorgangers in deze blijde boodschap, hebben iets goeds in handen.
De zevende editie van Donkere Kamer bestaat, zoals bij eerdere afleveringen, bij de gratie van trouwe volgers en een aanwas van nieuwsgierige nieuwkomers. De laatsten maken het noodzakelijk om de succesformule van de ‘pitch’ nogmaals kort uit te leggen: drie fotografen geven in drie minuten aan waarvoor zij steun vragen van het aanwezige publiek. De aanwezigen in de zaal beschikken over vijf muntjes (elk ter waarde van een euro) die zij dienen te verdelen over deze onvoltooide projecten. In fotografen-jargon: ‘crowdfunding’ voor ‘work in progress’. Op deze avond zijn het Pavel Prokopchik (Apashka), Eva Gjaltema (Familye) en Isabella Roozendaal (Isabella Hunting) die hun werk ‘pitchen’. Respectievelijk documentaires die zich richten op een sjamaan in Kazakhstan, het vastleggen van een verdwijnende boerenfamilie, en de nuance in een gecompliceerde jachtcultuur. Aan het einde van de avond zal blijken bij wie de meeste sympathie ligt.

Voor de pauze, wanneer er moet worden gestemd, is het woord ook nog aan Wim van Sinderen. Als curator van het Fotomuseum Den Haag geeft hij uitleg over de tentoonstelling Gare du Nord en het bijbehorende boek over Nederlandse fotografen in Parijs (1900-1968). Tegelijkertijd een quiz en een lesje Nederlandse fotohistorie: “Van wie, denkt u, is deze foto?” In dit discours van interactie en educatie is Wim van Sinderen zichtbaar op zijn plaats. Er wordt ook gesproken over de aanloop, een uitleen van Haagse Mondriaans aan het Centre Pompidou; over onbekend werk van Eddie Posthuma de Boer en Johan van der Keuken dat is opgedoken in een Leids archief; over het verschil tussen ‘vintage’ en nieuwe afdrukken van oude negatieven; over foto’s als object.

Vervolgens – tussen het ‘pitchen’ door – vertellen Theo Niekus (Report) en Peter Tijhuis (Pickle Magazine) over het uitgeven van foto-tijdschriften in eigen beheer. Terwijl Niekus bewust kiest om in z’n eentje een papieren tijdschrift te produceren – goedkoper dan een boek en tastbaarder dan digitaal – geeft Tijhuis er de voorkeur aan om in nauwe samenwerking met tweedejaars studenten van de mastersopleiding aan de AKV| St. Joost in Breda aan een online platform te bouwen. Toch, zo merkt Edie Peters op, lijkt Pickle Magazine verdacht veel op een digitale versie van een ‘traditioneel’, geprint magazine. Peter Tijhuis bevestigt dat dit nadrukkelijk de bedoeling is. De liefde voor oud papier is met de digitalisering kennelijk niet zomaar verdwenen…


Meer van Boudewijn Bollmann: www.twistedstreets.nl

Na de pauze is de vloer vrij gemaakt voor Klaas Jan van der Weij. Die ruimte past als gegoten, zo blijkt al snel. Bij opkomst heeft de groot-formaat sportfotograaf de zaal al helemaal voor zich gewonnen. Als een geroutineerde performer demonstreert hij zijn apparatuur: 27 kilo bepakking op een vrolijk provocerende mastodont. Klaas Jan van der Weij is een openhartige autodidact die leeft bij de gratie van de improvisatie: “de camera is mijn grootste handicap”. In het kader van het item De Camera van … toont hij z’n laatste aanwinst – een 6×8 Fuji GX680 III, die er uitziet als een professionele televisiecamera en waarvan er in Europa momenteel nog maar een andere bezitter bestaat – maar tegelijkertijd laat hij weten aan geen enkel apparaat volkomen gehecht te zijn. Of zelfs maar van een merk: daags voor de Olympische Spelen in China ging hij resoluut over van Canon op Nikon. De bekende houding van Van der Weij wanneer ‘ie langs de lijn of op het veld staat – hij zou wel zien wat ermee gebeurt – gaat hij nu ook op dit apparaat toepassen, zo is zijn voornemen.

Bloed, zweet en tranen – van plezier of van frustratie. Daar komt fotografie toch vaak op neer, ook voor gerenommeerde en geroemde mensen als Bertien van Manen. Dat, en het nodige geduld en zelfvertrouwen om op een gegeven moment, via de complexiteit van de gebruikte technologie, tot een punt van bevrediging te komen; tot de bevestiging van een eigen manier van kijken. “Je krijgt het niet zomaar kado”. Van Manen is inmiddels vertrouwd met het pad dat leidt over toppen en dalen en herkent daarom de duur van de tocht naar nieuw succes. Maar die opleving heeft zich nu wel opnieuw aangediend: een boek en een tentoonstelling van werk gemaakt tussen 1991 en 2009, voornamelijk in de voormalige Sovjet staten waar zij zich zo vertrouwd mee heeft gemaakt. “Het is hun verhaal, maar het zijn mijn foto’s”, zo benadrukt Van Manen. In die eigenwijsheid heeft ze ervoor gekozen om dicht te blijven bij de sfeer en formaat van een familiealbum. En hoewel ze gelukkig is met de raad en daad van de bevriende Engelse fotograaf Stephen Gill zijn het boek en de bijbehorende (hoogwaardige, maar kleine) afdrukken ook nadrukkelijk van haar. Dat dit vervolgens leidt tot zenuwachtigheid van de New Yorkse galeriehouder begrijpt Van Manen wel, maar uiteindelijk beslist ze zelf: “Ik doe gewoon wat ik mooi vind.”

Dat Van Manen een vrouw is, is mooi meegenomen. Aldus Johan de Vos, die met zijn kritische column aan de eerder door Van der Weij veroorzaakte hilariteit nog een extra dimensie weet te geven. De Vlaamse reus op het gebied van de polemiek heeft een negental aanbevelingen voor fotografen die roem nastreven, waarvan het advies ‘vrouw te zijn’ de eerste is. “Als u het nog niet bent, wordt dan vrouw”. Sinds de jaren ’70 hebben vrouwen volgens de Vos meer kans op de kunstmarkt, al dreigt die voorsprong ras te verdwijnen. Haast om vrouw te worden is dus geboden. Overige welgemeende raad is om te netwerken (‘hecht u ergens aan vast”), tenminste 98% van het bestaande werk te vernietigen (“niets is erger dan kunstenaars met veel werk”), niet of nauwelijks in het openbaar te verschijnen (“onbereikbaarheid is een vorm van macht”) , te roddelen over jezelf in derde persoon (“het is belangrijk dat er over u wordt gesproken”), foto’s te maken die belangrijker zijn dan het onderwerp (dus liever een foto van een stuk grijs papier dan van Madonna), te beschikken over een startkapitaal van tenminste 1,2 miljoen en om geluk zoveel als mogelijk te vermijden (“het mag in ieder geval nooit met uw foto’s geassocieerd worden”). Ten slotte is het ook zeer belangrijk te weten dat een levende fotograaf maar half zo interessant is. Kortom, “ga snel dood.”

Dat deze goede raad nog niet is aangekomen bij veel jonge fotografen blijkt wel uit de enorme postbestelling bij FOAM magazine, na de aankondiging van hun jaarlijkse ‘talent’ issue. Ondanks de gevraagde ‘fee’ – tegelijk een drempel voor deelname en een financiële stimulering van het tijdschrift – zijn ruim 800 portfolio’s op redactie aangeleverd in de hoop op publicatie. Inderdaad, FOAM magazine is een van de meest gewilde plekken om nieuw werk te tonen. Sterker, het lijkt er op dat het tijdschrift in die hoedanigheid het belang van FOAM als museale locatie dreigt te overstijgen: liever nog gepubliceerd in het internationaal gedistribueerde magazine dan te exposeren aan de Amsterdamse Keizersgracht. Door een oplage van zo’n 10.000 exemplaren per thema-nummer in ruim twintig landen is het magazine het belangrijkste uithangbord van het ‘merk’ FOAM geworden. Met die conclusie wordt hoofdredactrice Caroline von Courten in verlegenheid van het podium geapplaudisseerd.

Tot besluit van deze geslaagde avond presenteert Edie Peters zoals gebruikelijk nog zijn uitgaanstips. Wat is er de komende tijd zoal te zien en te doen met betrekking tot de fotografie? Peters ligt er een aantal tentoonstellingen en bijeenkomsten uit die volgens hem de moeite waard zijn om te gaan bezoeken. Ga er heen, is het advies, zoals ook naar de volgende aflevering van De Donkere Kamer op 9 januari. De trouwe aanhang zal er zijn, zoals er waarschijnlijk ook weer introducees zullen zitten. Aangenaam verrast.

Uitslag van de ‘pitch’ (inclusief de bijdrage van de Fotografen Federatie):

Eva Gjaltema: 301 euro
Pavel Prokopchik: 579 euro
Isabella Roozendaal: 851 euro