Afsluitend debat intendantschap documentaire fotografie: ‘Moedig voorwaarts!’

Afsluitend debat intendantschap documentaire fotografie: ‘Moedig voorwaarts!’

Donderdagavond, Pakhuis de Zwijger Amsterdam. De sfeer is optimistisch. Veel oudgedienden, mensen die betrokken zijn geweest bij het intendantschap documentaire fotografie, fotografen in spé die nog maar nauwelijks een idee hebben van wat hen na het afstuderen te wachten staat.
Aanleiding voor het debat is de afronding van het intendantschap documentaire fotografie: in 2009 werd door het voormalige Fonds BKVB (nu Mondriaan Fonds) een intendant aangesteld om de Nederlandse documentaire fotografie gedurende twee jaar een extra impuls te geven. Projecten die in deze periode werden geïnitieerd zijn inmiddels door andere partijen geadopteerd (waaronder Dutch Doc Award en Dutch Doc Days). De discussie – gevoerd onder andere op PhotoQ – over het al dan niet slagen van het intendantschap is op deze avond vermeden. Er wordt niet teruggekeken maar vooruitgeblikt.

Onder leiding van journalist/interviewer Frénk van der Linden, geven diverse sprekers en columnisten hun visie op inhoudelijke en andere ontwikkelingen in de documentaire fotografie in de afgelopen jaren, op de veranderende werkwijze van documentair fotografen door onder meer economische invloeden en nieuwe technische mogelijkheden.


Wil je alleen de videoregistraties bekijken, ga dan naar het Vimeo channel Van Slow tot Twitter


De avond is onderverdeeld in drie rondes met elk een eigen thema. Elke ronde bestaat uit een kort interview met drie deskundigen, vooraf gegaan door een projectie met werk van Nederlandse documentaire fotografen en een gesproken column. De onderwerpen die aan de orde komen zijn 1. recente ontwikkelingen; 2. fotografen over hun praktijk; 3. het internationale perspectief en de Nederlandse infrastructuur.

Er is nadrukkelijk voor gekozen het publiek alleen via twitter mee te laten doen aan de discussie. Tweets voorzien van #docdebat worden gemodereerd en verschijnen vervolgens op een van de grote schermen in de zaal. Er wordt weinig gebruik van gemaakt, de aanwezigen die dat wel doen herhalen voornamelijk citaten waarin zij zich kunnen vinden. Echt kritische noten worden er niet gekraakt. Toch vreemd tijdens een debat dat óók over het gebruik van nieuwe media moet gaan. Fotograaf Erik Klein Wolterink twittert: “Wat zegt aantal van slechts 20 tweets over en op een avond over #documentaire #fotografie #Docdebat ?….. of ik tel niet goed #ikhoophet”. ‘”Misschien dat fotografen niet kunnen luisteren en twitteren tegelijk?” merkt Elsbeth Pijnappels op. Of valt er gewoon niet zoveel te discussiëren?

Als Van der Linden mensen in de zaal vraagt hun hand op te steken wanneer ze pessimistisch zijn over de toekomst, blijkt de stemming opvallend positief.

Recente ontwikkelingen in de Nederlandse documentaire fotografie
De eerste projectie is de keuze van Jenny Smets, beeldredacteur Vrij Nederland met werk van Jan Banning – Law and Order, Anoek Steketee en Eefje Blankevoort – Dream City, Henk Wildschut – Shelter.

Column Merel Bem
Merel Bem, fotografiecriticus bij onder andere de Volkskrant, is bijzonder scherp in haar openingscolumn. Op zoek naar een helder statement veergelijk ze het intendantschap zelfs met het leven van Jezus Christus: Annelies Kuiper kreeg de functie als onbevlekte ontvangenis in de schoot geworpen en Marc Prüst, Ton Broekhuis en Jan Banning kwamen in de hoedanigheid van de drie Koningen wijze woorden spreken.
Subtiel maar helder benoemt ze het gevoel van verscheurdheid dat gepaard ging met de injectie van 800.000 euro. Het leek alsof documentaire fotografen niet voor zichzelf konden zorgen en totaal afhankelijk waren van deze eenmalige som geld. Een documentaireproject negatief beoordelen zou het bestaan van de maker in gevaar kunnen brengen.
Alle vraagstukken waar een oplossing voor gezocht werd passeren de revue: wanneer is iets documentaire fotografie, werkt crowdfunding, wat te doen tegen gewetenloze krantenbazen en burgerjournalistiek? Een constructieve conclusie kan ze er niet aan verbinden.
Ze relativeert al die moeilijkheden met een wijsheid uit Garry Badgers boek The genius of photography, dat zij iedereen aanraadt te lezen. Alle fotografie heeft vanaf het begin naar zijn eigen democratisering toegewerkt: vlugger, kleiner, gemakkelijker, goedkoper. Dat hadden die fotografen kunnen weten. Ze sluit af met het voorbeeld van Canadees semi-autodidact fotograaf Donald Weber, die een heimelijk genoegen ontdekte in het feit dat niemand op hem zat te wachten en daardoor won.

Merel Bems column is integraal te lezen op PhotoQ

Gespreksronde 1 – Frits Gierstberg, Mattie Boom en Femke Lutgerink
Frénk van der Linden ondervraagt tijdens de eerste gespreksronde drie curatoren over de recente ontwikkelingen die Bem aanhaalde in haar column.

Frits Gierstberg, curator en hoofd tentoonstellingen Nederlands Fotomuseum, is ondanks alle sombere berichten optimistisch. Hij is enthousiast over intensivering van documentaire fotografie. Hij vindt fotografen slimmer en inventiever. Hij ontdekt steeds vaker metaniveaus in het werk, met name op het terrein van de fotografie zelf. Ook vind hij de beeldkwaliteit vooruit gegaan. Het feit dat veel fotografen de grenzen van het medium opzoeken maakt wel dat de definitie van documentaire fotografie moeilijk is vast te stellen. Hij juicht samenwerking met andere disciplines van harte toe. Dat leidt bijvoorbeeld tot betere fotoboeken.

Mattie Boom, conservator fotografie Rijksmuseum Amsterdam, vertelt over hoe bijzonder het was dat zij reeds in 1975 begonnen met documentaire fotografie opdrachten te verstrekken als vorm van actuele geschiedschrijving. Een kwaliteitsverbetering ziet ze niet echt, de Nederlandse documentaire fotografie is volgens haar van een constante kwaliteit. Boom heeft wel schrik dat de fotografie te conceptueel wordt: het lijkt een trend dat het idee boven het beeld gaat.

Femke Lutgerink, artistiek leider van FOTODOK, legt uit hoe zij een nieuwe generatie fotografen vertegenwoordigen door de organisatie klein te houden, snel en nomadisch te werken. Door zichzelf voortdurend te toetsen aan andere initiatieven en mensen in het veld, proberen ze op het scherpst van de snede te blijven. Een door FOTODOK georganiseerd debat over documentaire fotografie in Utrecht in 2008 leidde destijds onder meer tot het aanstellen van de intendant documentaire fotografie. Ondanks de positieve impuls die dat heeft opgeleverd, zegt Lutgerink wel meer behoefte te hebben aan toetsing om de ontwikkelingen beter te kunnen volgen en te sturen waar nodig.

Gespreksleider Van der Linden vraagt de drie curatoren wat er nog verbeterd kan worden aan infrastructuur en wat er nodig is om documentaire fotografie nog een stap verder te helpen. Gierstberg noemt het internationale perspectief om meer bekendheid te geven aan wat er hier gebeurt. Ook kan er nog meer interdisciplinair worden samengewerkt, en is het goed om kennis over bijvoorbeeld webdocumentaire – waarin Nederland volgens hem achterloopt – hier naar toe te halen. Lutgerink noemt zelfbewustzijn. Fotografen moeten nog beter weten waar ze mee bezig zijn en waarom. Mattie Boom vindt dat mensen een heel eind komen en spannende ideeën hebben. Dat ze voldoende gericht zijn op wat er in de wereld gebeurt. Ze twijfelt aan het nut van grote financiële injecties, al ziet ze ook dat de traditionele afnemers steeds minder betalen. Samen concluderen ze dat het vooral zaak is niet langer alleen te preken voor eigen parochie, maar dat alle partijen samen tot oplossingen en nieuwe vormen moeten komen.

Integraal videoverslag eerste gespreksronde:

Fotografen en de praktijk
De tweede projectie bestaat uit de keuze van Wim Melis, curator Fotomanifestatie Noorderlicht. Met werk van John Lambrichts – Oeverlangen, Niels Stomps – Metropolitan area, Dirk-Jan Visser – OFFSIDE – Football in Exile.

Column Lars Boering
Lars Boering, directeur FotografenFederatie, vraagt zich in zijn column hardop af wat de huidige economische situatie van de fotograaf verlangt. Zakelijk als hij is baseert hij zich op cijfers; een vergelijking van de situatie in 2009, toen het intendantschap begon, en nu.
Is het anno 2012 moeilijker, makkelijker of ingewikkelder om geld te genereren voor het produceren, presenteren en in de markt zetten van documentaire fotografieprojecten?
Moeilijk in te schatten, zegt Boering, want harde cijfers en analyse daarvan waren niet het sterkste punt van deze stimuleringsregeling. Bovendien baseerden zij zich op een relatief klein gedeelte van de totale beroepsgroep, die volgens inschrijvingen bij de KvK uit 11.700 mensen bestaat. Het gemiddelde inkomen is lager dan dat van een vuilnisman. “Ook een beroep waarin veel met spullen wordt gesjouwd”, merkt hij droogjes op.
Er is een top die het zeer goed doet, een leeggelopen middenstuk en een drukke bodem waarin men van klus naar klus scharrelt. Inmiddels is ook duidelijk dat de klant de baas is en dat hij heeft besloten dat de prijs van een foto in principe nul euro is, gezien het enorme aanbod. Goede fotografie leidt tot veel aandacht, maar daar blijft het dan ook bij.
Wat te doen, nu delen de norm is en iedereen fotograaf? Fotografen moeten ophouden zich afhankelijk op te stellen. Niet meer op fondsen vertrouwen. De consument heeft honger naar verhalen en dus zijn er kansen voor iedereen! Wees actief, heb kennis van zaken, houd vol maar wees vooral sociaal. Kom je er niet uit? Vraag hulp! Geld komt als je publiek weet te engageren. Bouw dat publiek op vóór je iets maakt. Permanente zichtbaarheid is cruciaal. Bedenk ook: niemand heeft de verplichting je te helpen.
Ook Boering sluit zijn column af met een relativerende anekdote: Een uitgever zat aan een diner in Engeland waar alle kunsten aan tafel zaten. Ballet, dans, theater, beeldende kunst, etc. Men sprak over de grote namen in de kunsten en vele namen kwamen voorbij. Toen de uitgever de naam Martin Parr liet vallen bleef het stil; niemand had ooit van hem gehoord.

Lars Boerings column is integraal te lezen op PhotoQ

Gespreksronde 2 – Geert van Kesteren, Reinier Gerritsen, Andrea Stultiens
In de tweede gespreksronde onderwerpt Frénk van der Linden de drie aangeschoven fotografen aan een kruisverhoor om te ontdekken hoe ze werken en wat hen precies documentaire fotograaf maakt.

Geert van Kesteren doet uit de doeken hoe zijn proces tot succesvol fotograaf is verlopen. Dat ging per ongeluk. ‘Ik begon voor de krant met het fotograferen van een concert. Toen dat goed ging vroegen ze me sport te doen en zo rolde het vanzelf richting andere projecten. ‘Ik was al onderweg voor iemand naar mij kwam, heb altijd het initiatief gehouden.’ Zijn werk verplaatste zich van de krant naar tijdschriften naar boeken naar exposities, stuk voor stuk internationaal erkende podia. Hoe hij dat voor elkaar kreeg, vraagt Van der Linden.
Van Kesteren: ‘Eerst goed bekijken wat je hebt en welke mensen er gebaat zijn bij zo’n boek, ontwikkelingsorganisaties bijvoorbeeld in het geval van Irak. Dan de middelen bij elkaar sprokkelen. Je moet daarvoor heel goed weten wat je in handen hebt, in het geval van Baghdad Calling ooggetuigen verslagen die bijna geen andere journalisten hadden.
‘Het is wel moeilijk om de nuance in mijn werk te behouden als het gepubliceerd wordt. Zelfs journalistieke media buigen onder invloed van de consument en de adverteerder, waardoor het verhaal heel zwartwit wordt.’

Reinier Gerritsen verdedigt zijn status als documentaire fotograaf. Voor zijn project Wall Street Stop maakte hij steeds vijf foto’s die hij over elkaar heen legt zodat alles scherp wordt. ‘Wordt?’, kaatst Van der Linden terug. Gerritsen vindt het vervelend dat hij aangevallen wordt op deze methode. ‘Ik onderschrijf het argument dat ik Cartier Bressons moment décisif doorbreek, maar het is geen plicht om aan die wet te voldoen.’
‘Waar leef je van?’, vraagt Van der Linden na een anekdote over de totstandkoming van een project waarvoor Gerritsen vijf reizen naar China maakte en nog niet tevreden was. ‘Gelukkig zijn er een aantal instellingen die vinden dat ik goede portretten maak.’

Andrea Stultiens maakt en verzamelt foto’s voor haar projecten. Ze legt uit waarom. ‘Er was een moment tijdens het project Kerkdorp / Polderdorp waarin ik op bezoek was bij een jongen met wie ik bevriend was geraakt. Zoals dat dan gaat haalde hij een stapel foto’s tevoorschijn die je dan moet bekijken. Het waren schiettent foto’s van twintigers. Ik realiseerde me dat die mensen er niet waren op de momenten dat ik in het dorp Kreileroord aan het fotograferen was. Ze waren aan het werk op of school. Toen werd ik me bewust van de beperking van mijn eigen blik en ben ik op zoek gegaan naar andere manieren om een zo compleet mogelijk beeld te schetsen.’ Een baan als docent geeft haar de vrijheid te doen wat ze wil.

Dan geeft Van der Linden de drie fotografen gelegenheid elkaar een vraag te stellen. Gerritsen vraagt zich af hoe Stultiens het volhoudt dagenlang in een archief door te brengen.
Voor Stultiens betekent het een rush, omdat ze dingen vindt waar ze niet naar op zoek was. ‘Met mijn camera weet ik te goed waar ik naar op zoek ben en daardoor sluit ik andere dingen uit’, voegt ze er aan toe.
‘Nieuwsgierigheid als kapitaal?’ poneert Van der Linden. Van Kesteren zegt dat je met een camera in je hand anders kijkt, alerter, ook als je weet waar je naar op zoek bent.
Gerritsens vraag aan Van Kesteren leidt tot enge hilariteit. ‘Is het niet zwaar om in die oorlogsgebieden rond te lopen?’ Enigszins verveeld zegt Van Kesteren ‘Ik geef op die vraag altijd een standaard antwoord. Ik ga weg, zij blijven daar achter.’ Punt.

Integraal videoverslag tweede gespreksronde:

Het internationale perspectief en de lokale infrastructuur
De derde projectie is samengesteld door Kim Knoppers, curator bij Foam. Met werk van Jeroen Kramer – Room 103, Raoul de Lange – Mugshots, Ahmet Polat – Dark Moon.

Column Thomas Seelig
Thomas Seelig, curator en conservator Fotomuseum Wintherthur, Zwitserland, plaatst de Nederlandse situatie in een historisch en internationaal perspectief.

Een woord dat niet lijkt te bestaan deze avond, is competitie. Gek, want dat is aan de orde en dat is het altijd geweest. Denk aan Talbot en Niépce.
In de laatste vijftig jaar zijn de belangrijkste media waarin fotografie getoond werd veranderd. In de jaren zestig verdienden fotografen hun geld door voor kranten en tijdschriften te werken. Tijdens de jaren tachtig veroverde de fotografie musea en later galeries. Rond de eeuwwisseling ontstond er een andere fetish: het fotoboek. Boeken waren soms al uitverkocht vlak na verschijningsdatum. Amazon maar ook Parr en Badger met hun uitgaven over het fotoboek, voedden die hype. Die lijkt tot een einde te komen nu steeds meer fotografen kiezen voor gelimiteerde, zelf uitgebrachte oplagen. Ze kennen bij wijze van spreke iedereen die hun boek heeft gekocht.
Seelig kijkt met de blik van een buitenstaander naar Nederland en concludeert dat er hier veel talent is en veel (financiële) mogelijkheden voor dat talent om zich te ontplooien. Hij beziet gefascineerd het absolute geloof in het documentaire beeld en traditie, alsmede het koortsachtige zoeken naar nieuwe manieren van presenteren. Hij concludeert: de patiënt heeft een lichte verkoudheid, maar voor het overige is hij kerngezond.

Thomas Seeligs column is integraal te lezen op PhotoQ

Omdat zijn uitgesproken column nogal afweek van zijn tevoren geschreven variant volgt hieronder een videoregistratie van de column van Seelig:

Gespreksronde 3 – Henk Wildschut, Bas Vroege, Roel Stavorinus
In de derde en laatste gespreksronde wordt over de grens gekeken, met name naar mogelijke podia om Nederlands werk te tonen. Hoe vind je die en wat is er voor nodig?

Henk Wildschut, fotograaf, onderscheidt zich van anderen doordat hij zijn verhaal vanuit zijn fascinatie voor een bepaald onderwerp vertelt. Die particuliere voorkeur maakt het van hem en dus anders. Dat geldt voor Shelter, waarmee hij vorig jaar de Dutch Doc Award won, maar ook voor het project over voedsel waar hij in het kader van Document Nederland aan werkt.
‘Afgelopen vrijdag was ik bij een kippenboer met 200.000 scharrelkippen. Daarnaast nog een stal voor biologische eieren. Hij klaagde over prijzen, dat wij er allemaal geen geld over hebben. Dat kwam me bekend voor. Toen ik hem er naar vroeg, bekende hij zelf die goedkopere eieren te eten!’ Wildschut zoekt naar de juiste manier om het hele onderwerp in kaart te brengen, en niet te blijven hangen op die ene boer. ‘Ik lig er soms zwetend wakker van, maar het komt wel goed.’ Gelukkig heeft ook zijn opdrachtgever dat vertrouwen, wellicht dankzij de erkenning van die prijs.

Bas Vroege, producent/curator, directeur Paradox, is sinds 1980 actief in de Nederlandse fotografie. Hij memoreert het moment dat de generatie beeldmakers die geworteld waren in gedrukte media daar de beperkingen van gingen inzien; het moment dat andere stemmen zich in documentaire gingen voegen. Hij geeft als voorbeeld Oscar van Alphen, maar ook Andrea Stultiens.
Vroege vertelt over de eerste periode waarin hij deel uitmaakte van een groepje jonge honden dat ontevreden was over hoe beeld werd getoond. Er is toen veel onderzoek gedaan naar de betekenis van het beeld, maatschappelijk draagvlak gecreëerd dat de betekenis van fotografie onderschreef. Het heeft zelfs een instituut opgeleverd [Het NFi – de voorloper van het Nederlands Fotomuseum. – LtV]. Pas nu lijkt die realisatie volledig te zijn neergedaald, misschien wel te laat.
Pessimistisch is hij over het feit dat tentoonstellingsperiodes steeds langer worden omdat het langer duurt ze te maken en het bovendien erg duur is. Door de afnemende middelen kunnen er dus steeds minder tentoonstellingen gemaakt worden, laat staan meerdere platforms tegelijk worden bestreken.

Roel Stavorinus, design manager/communicatie-adviseur, organisator BredaPhoto 2008 en 2010, zorgt voor een melig intermezzo als Van der Linden een andere vraag stelt dan verwacht. Hij antwoordt op die hypothetische vraag over Breda Photo, dat in zijn optiek een podium voor fotografie is dat goed in staat is gebleken dwarsverbanden te leggen met andere spelers in Breda, bijvoorbeeld het onderwijs en ondernemers.
‘Wat zou je antwoorden op de vraag wat Breda Photo toevoegt, In het hypothetische geval dat ik geïnteresseerd zou zijn in het onderwerp en jou die vraag gesteld had?’, pareert Van der Linden. Stavorinus gooit het op de relatie met het onderwijs, met name de academie in Gent, België, waarmee ze ook nog eens een buitenlands publiek hebben betrokken bij het festival. Wel constateert hij een gat tussen wat er op school gebeurt en in de praktijk. Wellicht dat Breda Photo een poging kan doen dat gat te dichten.

Tot slot nodigt de gespreksleider de drie heren (vrouwen zijn in de slotronde opvallend ondervertegenwoordigd) uit om in plaats van premier Mark Rutte plaats te nemen in het Torentje. Bas Vroege aarzelt niet. Hij zou ruimte creëren voor experiment, voor het ondervragen van het vak, nieuwe afzetmogelijkheden en technologie onderzoeken. Hij illustreert zijn voorstel met Via Panam, het meest recente nieuwe-media experiment van Paradox. Via Panam, van fotograaf Kadir van Lohuizen, was in de krant, op de radio en op IPad te volgen.
Henk Wildschut denkt ‘toch meer aan zijn eigen ding. Aan die kippen. ‘Ik hoop dat er en structuur blijft bestaan waarin we ons kunnen blijven ontwikkelen.’ Hij vindt het al moeilijk genoeg om zijn eigen pad te volgen. ‘Ik vind het heel goed dat mensen op pad zijn en belangrijk dingen laten zien, maar ik moet er zelf niet aan denken.’
Roel Stavornius ziet mogelijkheden in de richting van communicatie en verdienmodellen. Organisaties hunkeren naar het vertellen van verhalen over hun historie en visie. Hij illustreert met het voorbeeld van Stichting Zonnebloem die met een reclamebureau bezig is met een campagne over de banden tussen cliënten en vrijwilligers. Ze stuurden fotograaf Koos Breukel op pad. Daarna nam men contact op met BredaPhoto om de zien of er samenwerking mogelijk is. Dat leidt vermoedelijk tot een tentoonstelling binnen het festival en een publicatie. Zoiets geeft communicatie meer inhoud en biedt kansen voor documentaire fotografen.

Conclusie?
Om stipt tien uur sluit Van der Linden af met een kanttekening. Onder schrijvende journalisten heerst een veel zwartgalliger beeld van de werkgelegenheid, terwijl in de fotografie het zoeken naar dubbeltjes meer aan de orde is. Hij refereert aan de laatste brievenbundel van Gerard Reve, waarin hij vanuit Frankrijk schrijft dat hij werkt aan een briljante roman terwijl het buiten regent, het brood is uitverkocht en de autobanden lek zijn. Ook is zijn amant er vandoor met een jong ding. Hij schrijft “Je begrijpt, ik wil dood, maar verder is alles prima.” Moedig voorwaarts!

Integraal videoverslag derde gespreksronde:

Dat de tijden veranderd zijn, staat als een paal boven water, maar ook die verandering lag in de lijn der verwachting. Niet echt een reden tot klagen dus, als je het maar slim aanpakt. Weten waar de schoen wringt, en hem dan uitlopen, pleisters bij de hand. Het was vooral gezellig; om half twee werden de laatste mensen het cafë uitgeveegd.

Plaats een reactie