De weigeraar is altijd de verliezer

De weigeraar is altijd de verliezer

Onder de titel No Pictures! opende donderdag in het Persmuseum in Amsterdam een tentoonstelling met foto’s van mensen die er geen prijs op stellen om te worden vastgelegd. Eddy Posthuma de Boer verzorgde de openingstoespraak. Hieronder volgt zijn tekst.
No pictures

Toen ik op 17 september 1965 op Paleis Soestdijk kwam om in opdracht van ABC Press een dubbelportret van Prinses Beatrix en Claus von Amsberg te maken, vroeg Von Amsberg wat ik vond van de manier waarop sommige van mijn collega’s hun werk deden.

Hij doelde op de foto’s die John de Rooy eerder maakte van het verloofde paar in de tuin van Paleis Soestdijk, zonder dat zij daarvan op de hoogte waren. Ik weet niet meer precies wat ik toen heb geantwoord, maar het kwam er op neer dat het vast niet de laatste keer zou zijn geweest dat hij met zoiets te maken zou krijgen. Hij liet zich gewillig door mij portretteren samen met zijn nieuwe verloofde en bedankte mij vriendelijk voor de door mij genomen moeite.

Zoals u op deze tentoonstelling kunt zien was het inderdaad niet de laatste keer dat hij geconfronteerd werd met het soort fotojournalistiek waar hij niet tegen kon. Er waren tijdens zijn huwelijk ook nog wel andere aspecten van zijn publieke functie in het koninkrijk waar hij moeite mee had, maar of die te maken hadden met zijn latere depressiviteit, dat laat ik hierbij maar in het midden. Claus was een intelligente en een aardige man, dat mag ook wel gezegd.
Een staatssecretaris/politicus die tijdens een verkiezingscampagne loopt te flyeren in een winkelstraat in Sneek, wil maar al te graag gefotografeerd worden, maar als hij op het Sneker Meer in een bootje ligt te flyeren met een damessoldaat, dan heb je als defensiespecialist liever geen fotografen in de buurt, want het valt natuurlijk so-wie-so al niet mee om met zo’n geüniformeerde in een bootje vreemd te gaan. Ik bedenk maar wat zoals u begrijpt, maar het kan gebeuren.

Het gaat om publieke figuren wereldwijd en dus ook om Bekende Nederlanders. Je kunt als fotograaf wel een foto maken van een Onbekende Nederlander in een door hem (of haar) ongewenste situatie, maar daar valt geen brood mee te verdienen. Bovendien kan de Onbekende Nederlander, als hij je te pakken krijgt, je nog wel een paar flinke klappen verkopen.

Wat hebben mensen die niet door fotojournalisten gefotografeerd willen worden eigenlijk te verbergen? Is het de schaamte voor hun schuldig gedrag of is het, als ze geen schuldgevoelens hebben, een oprechte behoefte aan privacy?
Beide mogelijkheden zijn geldend.

En de eerste is in de fotojournalistiek natuurlijk het belangrijkste. Een bank- of winkelberover heeft zich al preventief tegen herkenning beschermd: daarvoor draagt hij dan een bivakmuts. Dat is een soort burka waamee een gezichtsbedekkend effect wordt verkregen. De halve wereld hangt tegenwoordig vol met bewakingscamera’s, dus is het oppassen geblazen. Zo’n bankrover heeft zich misschien wel flink laten tatoeëren om zijn identiteit wat meer gewicht te geven, maar op het moment dat hij echt daadkracht gaat vertonen, moet alles bedekt worden, de lafaard.

De politicus draagt geen bivakmuts dus moet hij op zijn qui-vive zijn in zijn gedrag.

Er is ook een tegengestelde variant van de gezichtsbedekking. En dat is het aan de fotografen kenbaar maken van minachting voor de maatschappelijke orde, die het verschil tussen arm en rijk te groot heeft laten worden.
Je keert je rug naar de fotograaf en tilt in een snelle beweging je rok omhoog, trekt je onderbroek naar beneden en laat je blote achterwerk zien. Dat houdt je even vol, zodat je weet dat de fotograaf er de tijd voor kan nemen. Want daar gaat het om, je blote kont op de foto.

Die mogelijkheid om zo’n foto te maken werd mij geboden op Haïti, in de grootste sloppenwijk van de Caribische archipel: Cité Soleil. Die bewuste vrouw keek naar mij met een minachtende en boze blik, maar ik deed wat wij allebei wilden: er werd een foto gemaakt. Het verschil tussen je gezicht en je achterste is dat je gezicht herkend kan worden, maar je achterste niet, dat is een anoniem lichaamsdeel. Hiermee heb ik dit wel voldoende uitgelegd, denk ik.

Een fotograaf kan van een foto-weigeraar van alles naar zijn hoofd krijgen: rotte tomaten, gescheld en gespuug, er kan zelfs fysiek geweld worden gebruikt. In dat laatste geval is het een voordeel als er nóg een fotograaf aanwezig is: die kan de actie van de weigeraar dan alsnog fotograferen. Dat is op enkele van de hier tentoongestelde foto’s duidelijk te zien.

Maar de weigeraar is altijd de verliezer, want in tegenstelling tot de schrijvende journalist hoeft de fotograaf zijn bron niet te verzwijgen – de bron is immers de weigeraar zelf.

Als het aan de weigeraars zou liggen, mochten wij de foto’s op deze tentoonstelling NIET bekijken, de consequentie daarvan zou zijn dat ik deze tentoonstelling NIET geopend zou verklaren en u nu het museum zou moeten verlaten om uw heil elders te zoeken. Bij voorbeeld op de Nieuwezijds Voorburgwal, waar ook al een soort Persmuseum is gevestigd volgens Paul Arnoldussen. Als je er een tegel licht, staat Henk Hofland al naast je, en als je omhoog kijkt hoor je Jan Blokker zeggen dat je fotografen altijd te vriend moet houden. Maar omdat er in deze buurt weinig heil te beleven valt, kunt u maar beter binnen blijven en de eer aan de geweigerden gunnen, die zo alert waren om toch het werk te doen waar ze op dat moment mee bezig waren.

Ik adviseer u met open vizier de tentoonstelling te gaan bekijken. Waartoe ik u nu in de gelegenheid stel.

eddy.posthumadeboer.com

Meer over No Pictures!PhotoQ Agenda

(met dank aan Truus van Gog)

Een reactie plaatsen