‘In een kunstmuseum horen kunstwerken’

De Rotterdamse publicist Peter Bulthuis is het niet eens met de gemeentelijk kunstaankopen door het Stedelijk Museum in Amsterdam. Volgens Bulthuis is een kunstmuseum ervoor om kunst in te laten zien, en hij vindt dat de door de commissie onder voorzitterschap van Hans Aarsman voorgedragen werken daar niet bij horen. Bulthuis verwoordt zijn visie in een brief aan Rommert Boonstra.
Beste Rommert,

Wat aardig van je, dat je me in de gelegenheid stelt je broodnodige discussie met Van Tuyl/Aarsman c.s. te volgen – waarbij de lansknecht Aarsman zich kennelijk, merkwaardig genoeg, afzijdig houdt, en Van Tuyl van de tribune is afgedaald om op het toernooiveld de lans voor hem op te nemen.

We zullen zien.

1.1 Kunst (en dat is het ‘eigen-aardige’ van kunst) ontstaat nooit zonder het vooropgezet doel om kunst te maken – en die andere discussie, wat we onder ‘kunst’ zouden moeten verstaan, hoeft hier niet te worden gevoerd, want dat ‘probleem’ (zo hier al een probleem zou zijn) is hier niet aan de orde.

1.2 Wel is aan de orde of het legitiem is om bij toeval ontstane kiekjes, door kunstenaars uitgekozen, voor te leggen aan een jury (Aarsman c.s.), die uit die kiekjes een tentoonstelling samenstelt, die wordt ge?xposeerd in een kunstmuseum (want dat is het Stedelijk toch?).
Eveneens, maar dat is secundair, wie daarvoor dan wordt gehonoreerd: a) de kunstenaars die de kiekjes inzenden; en/of b) de jury; en/of c) de makers van de kiekjes (doorhalen wat niet van toepassing is, c.q. wordt verlangd).

1.3 Van Tuyl schrijft (24 mei) dat ‘het Stedelijk altijd kiest voor de maker, niet primair voor de gedaante van het medium’ (beetje lastige zin, maar met wat moeite valt daar nog wel worst van te maken).
Evenwel trakteert Van Tuyl ons vervolgens op een waslijst kunstenaars, waar en passant ‘burgeres Ria van Dijk’ aan wordt toegevoegd; waarna het werk van de kunstenaars op de waslijst tot ‘experimenten’ wordt gereduceerd; om vervolgens met het kiekje van Ria van Dijk op een hoop te worden gegooid; waar tot slot aan wordt toegevoegd dat die hele boel, ‘dankzij de tijd en het inzicht dat daarmee gepaard gaat’, wel degelijk als kunst moet worden beschouwd.

1.4 We mogen concluderen (zie ook 1.1) dat Van Tuyl niet goed weet wat wel of niet tot de kunst moet worden gerekend – met de kanttekening van Van Tuyl dat ‘fotografie in diepste zin een surrealistisch medium is, levend van toeval, van dubbelzinnige toepassingen en gebruiken’. Wat Van Tuyl hiermee bedoelt, is mij niet erg duidelijk, en als je het mij vraagt Van Tuyl zelf ook niet.
Maar het heeft er alle schijn van dat Van Tuyl alsnog voor het medium, en niet voor de maker heeft gekozen.

1.5 Het was even zoeken, maar ik vond tenslotte toch de Selected Correspondence van Marcel Duchamp terug.
Bladzijde 109 (van genoemd boek): Stieglitz schrijft in 1922 een brief aan Duchamp. ‘Can a photopraph have the significance of art?’
Duchamp antwoordt als volgt: ‘Dear Stieglitz – Even a few words I don’t feel like writing. You know exactly what I think about photography. I would like to see it make people despise painting until something else will make photography unbearable. There we are. Affectueusement, Marcel Duchamp.’

1.6 We mogen aannemen dat Stieglitz niet erg verheugd was over dit antwoord. Duchamp hield niet van kunst (Stieglitz, zie daarvoor zijn foto’s, ongetwijfeld wel), en had ook van fotografie als medium (laat staan als kunst) geen hoge hoed op. Derhalve vond hij Stieglitz’ a priori onbetekenend en zijn vraag irrelevant.

1.7 Dezelfde Duchamp plaatste omstreeks deze tijd (ik dacht in 1923, maar ik ga dat nu niet opzoeken) een pisbak is een museum. Inmiddels drie of vier generaties kunsthistorici veinzen sindsdien Duchamp’s bedoeling niet te begrijpen. Duchamp bedoelde eenvoudig: je kunt me de pot op met je museum.

1.8 Sindsdien staat niet alleen het museum ‘in discussie’, maar ook de kunst (wat men daaronder ook maar wil verstaan).

1.9 Die discussies daar gelaten, lijkt het me toch dat het in de bedoeling moet liggen dat wat er in een museum wordt vertoond, moet vallen onder de noemer ‘kunst’ (wat we daaronder ook willen verstaan), en dat het niet in de bedoeling ligt dat daar toevalstreffers voor in de plaats komen (vaag gemompel i.v.m. kiekjes over ‘een in diepste zin surrealistisch medium … etc.’ desalniettemin).

1.10 Wat iets anders is, is dat toevalstreffers zoals kiekjes best in een historisch museum tentoongesteld zouden kunnen worden, net als bijvoorbeeld schoenlepels, blikopeners en damescorsetten, maar dat gebeurt dan vanwege hun historische, sociologische, etc., betekenis. Maar in een kunstmuseum?

1.11 Toen Duchamp het kunstmuseum afschafte (in plaats van schilderijen kon met daar immers even goed of kwaad een pispot laten zien), braken er gouden tijden aan voor het historisch museum! Erger nog: veel kunstmusea werden sindsdien tot historisch museum getransformeerd, een proces dat onafgebroken voortwoekert.

1.12 Net als Van Tuyl vind ik dat fotografie ‘leeft van dubbelzinnige toepassingen en gebruiken’. Ik ga graag nog wat verder: fotografie is in eerste instantie een buitengewoon onbestuurbaar medium, louter en alleen al door het technisch, d.w.z. mechanische, chemische dan wel elektronische aspect van de zaak, waardoor de maker bij voorbaat grotendeels of helemaal is uitgeschakeld. Met dat buitengewoon onbestuurbaar medium wordt vervolgens maniakaal gemanipuleerd. Het resultaat laat zich raden. Wij allen leven onder de voortdurende, verschrikkelijke terreur van de fotografie, en alles wat daarmee samenhangt, en dat is me nog al wat. We zullen hiermee moeten leven ‘until something else will make photography unbearable’ (Duchamp, zie 1.5).

1.13 De overeenkomst tussen een schilderij (ets, tekening, etc.) en een toevallig geschoten kiekje bestaat er uit dat beide een illusie van werkelijkheid geven. Daar, onder meer, beginnen de misverstanden.
Een kunstwerk voegt de maker toe aan de werkelijkheid. Graag een andere keer over wat wij onder ‘werkelijkheid’ dienen te verstaan. Een kunstmuseum dient een poging te zijn om ons daarin enige duidelijkheid te verschaffen.
Een kiekje, en überhaupt de fotografie, reduceert de werkelijkheid. Daar is een kunstmuseum niet voor.

1.14 Tenslotte: jouw werk, beste Rommert, zie ik vooral als een aanslag op de terreur van de fotografie; als een poging tot reconstructie van een gedeformeerde wereld; misschien ben je dat mij eens, misschien ook niet; maar ook als je het niet met mij eens bent, blijf ik mij die mening permitteren.
Dat je de kwaal gebruikt voor de remedie is uiteraard onvermijdelijk. Zo is het in de schilderkunst ook gegaan.

1.15 Ik mag hopen dat het Stedelijk niet de voorkeur geeft aan kiekjes omdat dit wel zo veilig is.

Peter Bulthuis

Rotterdam, 25052009

Volg de discussie op: Zonder direct artistiek doel

Een reactie plaatsen