Tien jaar oorlogsfotografie in Gemak

Vandaag, een dag voor de herdenking van 9/11, vindt in Gemak in Den Haag de opening plaats van de tentoonstelling Generation 9/11, samengesteld door gastcurator en initiator Teun Voeten (oorlogsfotograaf en antropoloog). In deze evaluerende en onderzoekende tentoonstelling worden uiteenlopende ontwikkelingen in oorlogsfotografie en visuele nieuwsgaring gesignaleerd, met 9/11 als ingrijpend startpunt van een tumultueus beelddecennium, zoals het persbericht het omschrijft. Extra hieronder: interview met Teun Voeten.
Voorafgaand aan de opening gaat Harm Ede Botje (redacteur Vrij Nederland) om 15.00uur in gesprek met Teun Voeten, Jamie Wellford (photo-editor Newsweek), Timo de Rijk (Hoogleraar Design Cultures VU Amsterdam), Gert van Langendonck (Midden-Oosten correspondent NRC Handelsblad), Kai Wiedenhöfer (oorlogsfotograaf) en Raoul de Lange (recent afgestudeerd fotograaf).

Tentoonstelling met werk van Mohammed Abed, Zalmaï Ahad, Nina Berman, Marc Bijl, Thomas Dworzak, Abdul Ahad Ghaith, Mia Grondahl, Tim Hetherington, Tyler Hicks, Michael Kamber, Geert van Kesteren, Karim Ben Khelifa, Kent Klich, Teru Kuwayama, Frederic Lafargue, Raoul de Lange, Benjamin Lowy, Eman Mohammed, Simon Norfolk, Moises Saman, Bruno Stevens, Teun Voeten, Kai Wiedenhöfer.

Gemak
Paviljoensgracht 20-24
2515 BP Den Haag
070 363 89 68
?info@gemak.org
www.gemak.org

Interview Teun Voeten

Tien september, de dag voor de tienjaarlijks herdenking van de 9/11 aanslagen, opent in Den Haag een groepstenstoonstelling van oorlogsfotografie onder de titel ‘Generation 9/11’. De expositie geeft een inventarisatie van de ontwikkelingen in de fotojournalistiek aan de hand van werk uit de drie meest gecoverde conflicten van het afgelopen decennium: Afghanistan, Irak en Gaza. Een keur van internationaal gerenommeerde Westerse fotografen zoals Nina Berman, Simon Norfolk, Tim Hetherington en Moises Saman, maar ook de top van de Afghaanse, Iraakse en Palestijnse fotografie zoals Zalmaï Ahad, Ghaith Abdul-Ahad en Mohammed Abed laten een uiteenlopende waaier van benaderingen zien: Van traditionele fotojournalistiek, hard core embedded werk, tot zuiver esthetische poëtische en conceptuele benaderingen.

Timo de Rijk, hoogleraar Design Cultures te Amsterdam sprak met de initiatiefnemer en gastcurator, de oorlogsfotograaf Teun Voeten.

TdR) Waarom zijn er nog professionele fotografen en fotojournalisten actief in oorlogsgebieden? Zijn ze niet per saldo altijd te laat en wordt het moment suprême niet immer door mensen ter plaatse met mobile phones en digitale camera’s vastgelegd?

TV) Bij onaangekondigde en onvoorspelbare gebeurtenissen komen journalisten en fotografen inderdaad vaak na de eerste feiten. Maar dan is er nog steeds een hoop te doen, ik zou zeggen, dan begint het eigenlijke werk pas.

TdR) Dat klinkt toch een beetje als ‘second best’, een journalist die de mosterd na de maaltijd serveert.

TV) Nou kijk, om te beginnen zou ik niet graag van moment suprême in oorlogssituaties willen spreken. Ja, de beelden waarop het eerste vliegtuig de Twin Towers binnenvliegen, leggen een absoluut historisch moment vast, zo men wil de essentie van 9/11. Dankzij toegankelijk en wijdverspreide technologie is dat moment door een toevallig aanwezige amateur vastgelegd.
Maar binnen no time waren professionals ter plekke die zeer indrukwekkende beelden maakten van de onmiddellijke nasleep. Niet-professionals – ik gebruik dat woord liever als ‘amateur’ dat een badinerende connotatie heeft – maakten daar trouwens ook schitterend werk van.

Oorlog is een complex sociaal fenomeen dat zich over een langere periode afspeelt. Soms is er niet één moment suprême, maar meerdere belangrijke momenten. Ook is oorlog niet alleen maar gewapende strijd. Er is fysieke destructie, er is sociale desintegratie, hongersnood, voedseltekorten, vluchtelingen, propaganda, verslagenheid bij de verliezers, vreugde bij de winnaars en ga zo maar door. Sommige van deze zaken zijn zeer visueel, fotogeniek en makkelijk te fotograferen, maar oorlog heeft ook verborgen aspecten en onzichtbare kanten. Het is de kracht van journalisten om dieper te graven en juist te trachten die verborgen kanten op te zoeken en proberen in beeld te brengen.

De onzichtbare aspecten, verdriet, angst, depressie, maar ook moed en kracht, kunnen zichtbaar gemaakt worden, echter, het vereist creativiteit en inzicht. Het werk van Nina Berman die gewonde veteranen vastlegde, slingerend tussen veerkracht en vertwijfeling, is hier een goed voorbeeld van.

Op het moment dat de postzegel werd uitgevonden, en soldaten aan het front naar huis konden schrijven wat er om hen heen gebeurde, zijn schrijvende journalisten ook niet overbodig geworden. Wel is het duidelijk dat de professionele fotograaf van zijn voetstuk is gevallen omdat hij niet langer het monopolie bezit om relevante beelden te maken.

Er komen momenteel veel beelden via Youtube uit Syrië binnen. Zeer belangrijk, omdat internationale journalisten het land niet inkomen. Dankzij dappere burgers hebben we nu een idee wat er zich daar afspeelt. Maar veel van deze beelden zijn onduidelijk, geven geen essentiële achtergrondinformatie, vertellen niet wie, wat en waar. Meer dan ooit zijn professionele journalisten, zowel schrijvers als fotografen, nodig om duiding te geven, te analyseren en te interpreteren.

TDR) Hoe moet ik dan volgens jou de kwaliteiten van de niet professionele fotografen beoordelen?

TV) Een week na 9/11 organiseerden de fotografen Charles Traub en Gilles Peress een baanbrekende expo in een klein galerietje in SoHo onder de titel "Here is New York. A Democracy in Photos". Het is de verdienste geweest van de organisatoren om het potentieel van de niet-professionals te erkennen. Iedereen, vakbroeders zowel als amateurs kon zijn beelden doorsturen of op een schijfje binnenbrengen. Die werden vervolgens geprint en zonder naamsvermelding aan de muur gehangen.

Ik vond het een fantastisch concept. "Here is New York" was niet alleen visueel interessant, maar had ook een louterende werking: Voor en door alle Newyorkers, professioneel werkzaam in de media of niet.
Tim Hetherington schreef ooit dat niet-professionele beelden complementair zijn. Er zijn de bekende beelden die iconische status hebben verworven. Er zijn de vage, schokkerige beelden van het eerste vliegtuig. Er is ook het beeld van de ‘Falling Man’, een man die uit de brandende toren spring maar in een gracieuze houding de dood tegemoet gaat. Dit beeld, gemaakt met een specifieke brandpuntsafstand en sluitersnelheid in een ijzersterke, abstracte compositie kon alleen maar door een vakman gemaakt zijn.

Op de expo is werk te zien van Karim Ben Khalifa, gemaakt fracties van seconden na een zelfmoordaanslag in Irak. We zien vaker beelden genomen door omstanders direct na bomaanslagen. Gruwelijke beelden maar vaak van middelmatige kwaliteit. Het is duidelijk is dat de beelden van Khalifa door een professioneel zijn vervaardigd, iemand die de taal en regels van visuele communicatie begrijpt en beheerst.
Wat we nu meer en meer zien is een kruisbestuiving, waarbij fotografen en kunstenaars gebruik maken van beelden die door niet-journalisten zijn gemaakt. Geert van Kesteren maakt in zijn project ‘Baghdad Calling’ gebruik van beelden die inwoners van Baghdad met hun mobieltjes hebben genomen, journalist Lex Runderkamp is bezig een documentaire te maken met videobeelden die op telefoons van gesneuvelde Libische soldaten stonden. Fascinerende onwikkelingen en een reden temeer om de democratisering van de fotografie niet als een bedreiging, maar juist als een uitdaging te zien.

TdR) Als we over invloedrijke beelden uit de Irakoorlog praten, komen de Abu Ghraib fotos bij me boven.

TV) Deze behoren inderdaad tot de meest misselijkmakende beelden uit de Irakoorlog. Geen fotojournalist had ze ooit kunnen schieten en dat is ook het shockerende: ze zijn oorspronkelijk bedoeld als souvenirkiekjes, gemaakt door lachende beulen. Dit is geen uniek verschijnsel: De rebellen van het Revolutionary United Front in Sierra Leone hadden in het midden van de jaren negentig hun eigen fotograaf in dienst die sadistische daden fotografeerde, de Nazi’s maakten graag kiekjes van massa-executies en uit het Zuiden van de Verenigde Staten kennen we de beelden waarop trotse blanken vrolijk rondom gelynchte zwarten staan. Het verschil is dat de beelden van Abu Ghraib in het digitale tijdperk binnen no time globaal verspreid konden worden en -terecht – de publieke opinie in vuur en vlam zetten. Het International Center of Photography in New York stelde in 2004 deze beelden tentoon onder de alleszeggende titel ‘Inconvenient Evidence.’

TdR) Je tentoonstelling laat weinig tot geen Nederlandse oorlogsfotografen zien. Hoe komt dat?

TV) We tonen er twee: van Kesteren, en ikzelf. Dat is op een aantal van 22 niet eens weinig, maar het feit is dat er gewoonweg weinig oorlogsfotografen in Nederland zijn. Koen Wessing was een uitzondering, een lichtend voorbeeld voor een hele generatie, maar uiteindelijk zijn er weinigen in zijn voetsporen getreden. Arnold Karskens is ook een doorgewinterde oorlogsreporter, maar hij schrijft meer dan dat hij fotografeert.
Louis Zaal, directeur van fotobureau Hollandse Hoogte zei ooit eens dat Nederlanders niet graag door vieze, modderige loopgraven kruipen. Voor Nederlanders, het volk met het hoogst aantal verzekeringspolissen per hoofd van de bevolking, moet alles liefst een beetje netjes, overzichtelijk en geordend zijn, het mag niet al te dol worden en moet vooral leuk en gezellig blijven.
Aan de andere kant staat Nederlandse bekend om de geëngageerde documentaire fotografie, projecten van lange adem. Kijk maar naar internationaal gerenommeerde mensen als Kadir van Lohuizen, Jan Banning, Ad van Denderen.

Maar in oorlogsgebieden zijn toch de Amerikanen, Engelsen en Fransen die het vuile werk opknappen. Wellicht omdat deze landen in de afgelopen eeuw in zoveel conflicten vochtten – de beide wereldoorlogen, Korea, Vietnam, Afghanistan, Irak. Afgezien van enkele VN-vredesmissies en natuurlijk de politionele acties in Indonesië waarbij de pers volledig werd afgeschermd, is Nederland nooit zo actief en op grote schaal betrokken geweest in oorlogen. We hebben zelfs een sterke pacifistische traditie in ons land. Ook is er, vooral de laatste tijd, een sterke naar binnen gekeerde blik in Nederland. Er wordt nauwelijks meer over de grenzen gekeken. De Nederlanders, en hun media, concentreren zich op een welhaast navelstaardige manier op eigen problemen.

Er zijn weliswaar veel Nederlandse fotografen bij DutchBat in Afghanistan geweest, maar het fotograferen werd aan zoveel restricties onderworpen dat je niet meer van journalistiek kon spreken, maar eerder van ‘publiciteitsfotografie’ of ‘bedrijfsreportage’. Niets fout met deze twee bedrijfstakken, maar oorlogsfotografie is het niet. In de documentaire Restrepo hebben de makers Sebastian Junger en Tim Hetherington de volledige vrijheid gehad om bij een Amerikaans bataljon alles te filmen, overal mee te gaan, ook doden en gewonden aan Afghaanse zowel als Amerikaanse kant, zonder dat hen maar iets in de weg werd gelegd.

TdR) Er is veel kritiek op het verschijnsel ‘embedded’. Sommige zeggen dat het vloekt met het principe van onafhankelijke journalistiek.

TV) Journalisten hebben zich altijd tijdelijk aangesloten bij gewapende groepen, maar dat heette vroeger, tijdens Vietnam, gewoon ‘met de soldaten meegaan’. ‘Embedded’ is een nieuwe term, pas sinds de Tweede Irakoorlog in zwang gekomen. Het Pentagon heeft toen op verzoek van journalisten die klaagden over gebrekkige toegang tot de Eerste Irakoorlog en de invasie in Afghanistan, een systeem opgezet waarmee de pers met legereenheden kon meegaan. Het is waar, vanzelfsprekend ontwikkelt de journalist een grote sympathie voor de jongens met hij voor een periode dagelijks optrekt, met wie hij lief en leed deelt.
Maar nog kun je kritisch zijn. Van Kesteren ging voor "Why Mister Why" vaak met Amerikaanse troepen in Irak op stap, maar zijn werk is allesbehalve propaganda. Een van de iconische beelden van de Irakoorlog is een foto van Chris Hondros, een meisje in een met bloed bespat bloemetjesjurkje, het bloed van haar ouders die net tevoren zijn doodgeschoten door de Amerikaanse troepen bij het Tal Afar checkpoint. Hondros was embedded, maar was in staat een foto te maken die symbolisch was voor de burgerslachtoffers die de Amerikanen maakten. Het werd hem overigens niet in dank afgenomen.

In een interview over zijn ‘embed’ gedurende het maken van Restrepo, vertelt Junger dat elke journalist altijd embedded is, of hij nu met ghetto kids, hulpverleners in Rwanda of politieagenten meegaat. Het gaat erom de werkelijkheid van de mensen waarover je schrijft te begrijpen. ‘Men zegt dat het moeilijk is objectief te zijn over mensen die dichtbij je zijn, maar het ook is moeilijk om objectief te zijn over mensen die op je schieten en je willen doden’, vertelt Junger. Het is opmerkelijk dat de film Restrepo, die een genadeloos hard beeld laat zien van het leven van een Amerikaanse unit in Afghanistan door het linkse kamp is omarmd als een antioorlogsfilm, maar door militairen en soldaten juist als pro-army. Ik denk dat je dan als embedded journalist waarachtig trots mag zijn op je werk.
In de expo hebben we zeer krachtig werk van Frédéric Lafargue die met de Amerikanen mee was tijdens de slag om Fallujah. Zeer waardevol werk, wat er niet geweest was als er het embedded systeem niet was. Het alternatief is zero acces tot de troepen.

Maar natuurlijk laat je als embedded fotograaf een klein deeltje van het hele mozaïek zien. Als je met het Amerikaanse leger meegaat in Afghanistan, maak je geen reportage over Afghanistan, maar een reportage over Amerikaanse soldaten. Zolang je daar bewust van bent en eerlijk over bent zie ik geen enkel probleem. Benjamin Lowy heeft de ambivalente positie van de ‘embedded’ fotograaf heel treffend in beeld gebracht door zijn ‘Perspectives’ serie, bewust gefotografeerd vanuit en gekaderd door het raampje van een Humvee.

TdR) Alle oorlogsfotografen lijken elkaar te kennen. Fotograferen ze daardoor niet allemaal hetzelfde?

TV) Toen ik ruim twintig jaar geleden begon, waren we met in totaal zo’n honderd man, en nu is dat – een ruwe schatting – een paar duizend. Vroeger werkten de meeste mensen grofweg in dezelfde traditie – zwart wit, neus op het onderwerp, groothoeklenzen. Tegenwoordig zijn er zoveel nieuwe benaderingen: fotografen imiteren elkaar, maar ze inspireren elkaar ook. En soms zetten ze zich juist tegen elkaar af en willen zich van elkaar onderscheiden door een originele aanpak. Nieuwe technologieën hebben niet alleen geresulteerd in een gevarieerdheid in stijl, maar ook in een hele nieuwe groep fotografen. Tot voor 15 jaar was fotografie vooral een bezigheid van goed getrainde en dito betaalde Westerlingen, nu zijn er honderden uitstekende plaatselijke fotografen, kijk bijvoorbeeld naar het weergaloze werk van Mohammed Abed en Eman Mohammed uit de Gazastrook.

In onze expo hebben we getracht deze brede waaier van benaderingen en perspectieven te vatten, van de monumentale architectuurfotografie van Simon Norfolk tot de esthetische, poëtische zwart/wit beelden van Teru Kuwayama tot de traditionele maar zeer sterke journalistieke beelden van Moises Saman.

TdR) Het is met slinkende budgetten en het verdwijnen van traditionele media niet makkelijker op geworden. Is er niet een moordende competitie onder elkaar?

TV) De gemiddelde fotograaf verdient momenteel de helft minder als tien jaar geleden. Het is harde wereld geworden. We mogen dan wel denken met belangwekkende universele issues bezig zijn, maar zoals elke beroepsgroep, hebben wij ook onze onderlinge haat en nijd. We kunnen soms flink over elkaar roddelen en veel mensen zien groen van jaloezie als de één een publicatie, prijs of opdracht krijgt die de ander graag had gehad.

Maar er is ook een groot gevoel van solidariteit. We zijn een kleine groep, maar we komen elkaar onder de meest extreme situaties in de meest afgelegen streken tegen. Dat schept een sterke band. Dit werd duidelijk afgelopen april toen enkele fotografen in Libië sneuvelden, waaronder onze zeer gerespecteerde en geliefde collega’s Hondros en Hetherington. Het was hartverwarmend om te zien dat dan blijkt dat we toch allemaal lid zijn van die grote, weliswaar een beetje disfunctionele, familie van oorlogsreporters die elkaar troosten, opvangen, helpen, bijstaan.

TdR) Waarom zijn we als kijkers toch zo geïnteresseerd in geweld. We willen niet kijken maar we doen het toch? Hoe komt dat?

Oorlogsfotografie en in het bijzonder extreem geweld beantwoordt aan de menselijke fascinatie voor de grenzen van de menselijke existentie. Mensen vinden het heerlijk om rond een kampvuur spookverhalen te horen. In de oudheid had je Grieks dramaspelen, later kreeg je Shakespeare, en nog veel later ”The Texas Chainsaw Massacre’. Psychologen, filosofen en sociologen breken zich het hoofd over waar die fascinatie voor horror en geweld vandaan komt. Susan Sontag beschreef het geruststellende element dat het bekijken van beelden van horror heeft: wij zijn veilig, immers, het treft een ander, niet ons. Sontag praat ook over de stervende Jezus aan het kruis, een van de bekendste beelden en de hartverscheurende Piëta’s die mensen blijven ontroeren. Niet alleen Christenen hebben patent op deze iconografie, in de Sji’ietische geloofsbeleving zijn gruwelijke en bloedige afbeeldingen van de vermoorde martelaar Ali Hussein alom aanwezig.

Schopenhauer, de filosoof van het lijden bij uitstek, schreef dat elk groot kunstwerk een transcenderende werking heeft omdat het ons even in aanraking brengt met het eeuwige, het schone, het onvergankelijke tragische. Als we getroffen worden door een groot dramatisch werk, of dit nu een schitterende symfonie is of een verschrikkelijk oorlogsfoto, worden we bevangen door een moment van zuivere, belangeloze passie, zijn we even tijdelijk verlost uit ons ego met zijn dagelijkse bekommernissen en calculerend opportunisme.
Oorlogsverslaggeving speelt in op deze zuivere behoefte, en is niet slecht of voyeuristisch, maar eerder diep menselijk.

TdR) Je woonde in New York ten tijde van de aanslagen. Is New York voor jou nog dezelfde stad als voor 9/11?

TV) De aanslagen van 9/11 brachten de Newyorkers tezamen zoals ze nog nooit geweest waren. Taxichauffeur, Mexicaanse bordenwasser, Wall Street broker, brandweerman, kunstenaar, iedereen, ongeacht rang of stand, was deel van New York. Iedereen was getroffen of kende wel iemand die getroffen was. Natuurlijk verdween na een tijdje die samenhorigheid en gingen Newyorkers weer doen wat ze altijd gedaan hebben en waar ze goed in zijn: geld verdienen en het weer uitgeven. Maar het besef van de eigen kwetsbaarheid, de fragiliteit van het leven, tot voor 9/11 alleen weggelegd voor Newyorkers die oorlog kenden uit andere tijden en andere plaatsen, heeft nu definitief een plaats verworven in de psyche van de stad en haar inwoners.
Niet alleen New York, maar de hele wereld is drastische veranderd door 9/11. Ik denk dat we over enkele decennia, in retrospectief, pas daadwerkelijk kunnen begrijpen hoe ingrijpend die aanslagen zijn geweest.

TdR) Wat is je favoriete beeld?

TV) Dit is een tricky question. Ik ben enorm onder de indruk van de kwaliteit van al het werk dat in de expo hangt, anders had ik het natuurlijk niet uitgekozen. Veel kon er wegens plaatsgebrek gewoon niet in. Maar een persoonlijke favoriet: de wilde witte hengst in Irak, een foto van Moises Saman. Ik had het nog nooit eerder gezien maar het trof me enorm.

TdR) Dit is je eerste klus als curator. Gaat je deze kant op of stort je zich weer op conflicten?

TV) Het was zeer interessant om op een reflectief niveau bezig te zijn met mijn vak, het was dankbaar en inspirerend om zoveel krachtig en mooi werk te zien. Maar de organisatie was enorm tijdrovend. Het moeilijkste was wel om al de deelnemers te pakken te krijgen. De meeste leiden een onregelmatig leven, zijn op locatie en moeilijk bereikbaar of hebben andere dingen aan hun hoofd. Het afgelopen jaar is een van de deelnemende fotografen gesneuveld, twee waren er voor een periode gekidnapt, twee zijn vader geworden, eentje moeder en een ander zelfs grootmoeder. Gelukkig was de medewerking fantastisch. Natuurlijk blijf ik fotograaf en sta ik na twee maanden regelen te popelen om weer ‘on the road’ te gaan.

Ik ben natuurlijk een niet-professionele curator, maar kreeg veel enthousiaste reacties van collega’s. Velen zeiden erg geïrriteerd te zijn door wat ze zien als een wereldvreemde en arrogante houding van curatoren die de fotografie niet uit de werkelijkheid kennen. Misschien is de cirkel rond, en moet de museum- en kunstwereld na acceptatie van amateurfotografen nu ook niet-professionele curatoren gaan accepteren.

© Timo de Rijk en Teun Voeten