Woorden over fotografie 1: Dirk van Weelden bij opening Nabeelden

Woorden over fotografie 1: Dirk van Weelden bij opening Nabeelden

PhotoQ publiceert vier toespraken in opeenvolgende artikelen: de eerste is van schrijver Dirk van Weelden wiens toespraak begin september de tentoonstelling Nabeelden van Rein Jelle Terpstra opende; de tweede is van schrijver Kees ‘t Hart die opende bij Den Haag 1955-1965 in foto’s van Jacques Meijer; en de derde is de rede die Willem Diepraam afgelopen zaterdag uitsprak na het ontvangen van de BNO Piet Zwart Award. Met een extraatje: de toespraak van Reinier Gerritsen bij het uitreiken van de prijs aan Diepraam.
Hieronder de tekst van Dirk van Weelden.

Luisteren naar hoe we kijken.

Wat gebeurt er als je gaat nadenken en leest over niet-gemaakte foto’s? Allereerst blijk je meestal te vergeten hoe ontstellend veel beelden je al in je hoofd, je herinnering hebt, die niet fotografisch zijn vastgelegd. En hoe ingrijpend die beelden verschillen van foto’s.

Herinneringen zijn opgesloten in iemands hoofd en blijven veranderen en zich vermengen met nieuwe en andere beelden. Niemand kan ze een ander laten zien en dus kan een ander zich er niet in mengen. De meeste foto’s die mensen maken beschouwen ze vooral als herinneringsbeelden, maar dan veruitwendigd. Ze zijn er juist om te delen, als bewijs. Ze lijken stil te staan, ze gelden als objectieve documenten, maar vooral in de handen van derden en vreemden wordt het verband tussen de foto en het moment waarop hij ontstond steeds groter en onzekerder. Met die veruitwendiging kunnen anderen het beeld niet alleen zien, ze kunnen erop reageren. Ze zullen het leven van de foto als teken en product beïnvloeden. Ze kunnen de maker erom bewonderen, bijvallen, of juist beklagen, beschuldigen, maar ze kunnen hem ook betalen etc. Een foto is een ding, een document, een product. Een niet gemaakte foto is een metafoor voor een geheugenfunctie.

Dit project nodigde mensen uit die metafoor letterlijk te nemen, en de herinneringsbeelden te veruitwendigen door middel van taal en hun stem. In taal kan het herinneringsbeeld een teken worden dat valt te vermenigvuldigen en verplaatsen. Toen kwam er iets op gang dat de vanzelfsprekendheden van de fotografie ondervraagt.

Veel verhalen laten zien hoe situaties ingrijpend veranderen als iemand een camera te voorschijn haalt. Of dat het soms onmogelijk of levensgevaarlijk is een camera te gebruiken. Dat heeft er alles mee te maken dat de camera ter plekke, in real-time, zo te zeggen, verwijst naar een toekomstige toeschouwer. Een getuige. Dat schept verwachtingen, verplichtingen, soms is het zelfs een bedreiging, een gevaar. Om de toekomstige toeschouwer iets cadeau te doen, neemt de fotograaf nu deels afstand van de situatie waarin hij verkeert. Een stap opzij die niet alleen de belofte of dreiging van objectivering is, maar ook de mogelijkheid van een radicaal andere beoordeling en interpretatie van wat er gebeurt.

Om anderen ‘dit-hier’ te kunnen laten zien, moet de fotograaf een kleine daad van objectiverend geweld plegen. De sfeer, de intimiteit, het gedeelde vertrouwen, op de proef stellen en soms zelfs schenden. Maar het is een schending van de intimiteit die ook tot schoonheid, inzicht, voordeel en contacten leiden kan, die anders onmogelijk zouden zijn.

Meestal denken mensen niet zover. De gelegenheden waarop mensen het liefst voor een camera verschijnen zijn de momenten waarop ze een triomf, een mijlpaal, een feest, een herdenking, een diploma-uitreiking, een recordpoging te vieren hebben. Oftewel een met anderen te delen moment. Een moment dat vraagt om een beeld voor later, een document. Of ze willen op de foto omdat ze daar bewondering, bijval, roem of zelfs geld van verwachten. Door de mobiele telefoon lijkt bijna ieder moment in gezelschap tot een party-photo-opportunity aanleiding te geven.

Wat opvalt in veel van de verhalen in Nabeelden is de zorg waarmee de schrijvers de context beschrijven waarin de niet-gemaakte foto ontstond. Daardoor besef je hoe ingrijpend de kadrering van een camera is. En hoeveel context door het kader buiten beeld gehouden wordt. Duidelijk is ook, dat mensen desnoods zelf een context verzinnen om foto’s een betekenis te geven. Hoe misleidend kunnen foto’s zijn voor mensen die afwezig waren toen de foto genomen werd! Foto’s tonen veel, maar wat zien mensen? In welke mate spiegelen foto’s de contextzoekende breinen van de toeschouwers en hoeveel laten ze iets doorschemeren van wat er toen gebeurde?

De mythe van het zelfstandige beeld vertoont barstjes, als je zo gaat denken. Opeens zijn de camera en zijn product -de foto-, passanten in een situatie met complexe, veranderlijke, ondoorgrondelijke mensen en een werveling van op elkaar botsende krachten.

De beelden die de verhalen in deze tafel opwekken in de hoofden van ons, de luisteraars, houden het midden tussen herinneringsbeelden zoals we die in ons eigen hoofd hebben en foto’s in een expositie. Het zijn, wat ik met een neologisme ver-beelden zou willen noemen. Dat zijn beelden die iemand zelf opwekt, door het tot zich nemen van woorden van anderen. Het lijkt op het uitvoeren van een door een ander geschreven lied. Dat gebeurt niet telepathisch, maar in het echt, door mensen, met stem en instrumenten. En in het geval van de tafel hier wil dat zeggen dat de vorming van die ver-beelden in onze hoofden direct beïnvloed wordt door een drie dingen:

1- De taal, de zinnen, de woorden van de tekst. Hieruit bestaat het materiaal waarvan we het ver-beeld maken. Schrijven is afwezigheid intiem maken, die zich laten afspelen in iemands hoofd. Iets dat elders is, mogelijk is, verdwenen is, vernietigd of nog niet gebeurd, omsingelen met woorden en transporteren in ruimte en tijd, naar het taal-orgel in het lichaam van lezers of luisteraars. Achter hun sensorium. Die lezers of luisteraars kunnen het dan afspelen. Uitvoeren. Wat ze meemaken is dan iets als een gloednieuwe kunstmatige herinnering.

2- De stem, de klank, de dynamiek, de uitspraak van degene die de tekst uitspreekt. De vorming van de beelden wordt er door bijgekleurd. Zoals een lens ruimte en diepte vervormt en de verhoudingen tussen voorwerpen en mensen verandert. Hierbij is het belangrijk om Rein Jelle’s keus te waarderen geen beroepslezers of acteurs, maar de auteurs zelf te laten inspreken. Je hoort daardoor een veel groter klankverschil tussen de stemmen, met heel karakteristieke eigenschappen, le grain de la voix. De stem en het stemgedrag van de auteurs brengt iets over los van de tekst.
Maar ook is er meer verschil in intensiteit binnen een tekst. Waar een beroepslezer plichtsgetrouw alles even duidelijk en gemeend voorleest, maakt een auteur verschil. Je hoort waar de auteur het allerbelangrijkste wil zeggen en waar hij even een ommetje, een gebaar, een grapje maakt. Intentioneel reliëf, zou je het kunnen noemen, zoiets als contrast bij het afdrukken van een foto.

3- Wat veel invloed heeft op de vorming van die ver-beelden in ons hoofd is de omgeving waar we staan, de fysieke omstandigheden waarin we de stem en de woorden toelaten en het ver-beeld vormen. De tafel staat niet bij ons thuis, maar in een openbare ruimte. In een aan de fotografie gewijd gebouw. En niet in het depot, het kantoor of de expositiezaal. We staan in een tussenruimte, halverwege de boekwinkel en de zaal met tentoongestelde foto’s. Tussen de reflectie, de documentatie en de verkoop van fotografie en de expositie de foto’s zelf in. En dat de verhalen uit geluid bestaan, de stem van een afwezige, iemand die we niet kunnen zien, niet kunnen lezen, die ons ertoe aanzet een ver-beeld te produceren en iets te snappen van de omstandigheden waaronder het bestond, dat maakt veel uit. In het openbaar naar een stem luisteren heeft iets intiems.

Wat gebeurt er bij de luisteraars aan deze tafel? Ik hoop dat het de automatische piloot bij het bekijken van foto’s uitzet. Foto’s verliezen veel van hun vanzelfsprekendheid. Je komt dichter bij het moment van de foto, bij de plek en de mensen op de foto. Maar ook bij de persoon van de fotograaf, de keuzes die hij maakte en het verschil tussen beeld en aanwezigheid, tussen foto en herinnering, tussen iets zien en er deel van uitmaken. En hoe vreemd en bijzonder het is iets door een camera te zien, te weten dat het voorgoed voorbij is en er toch een beeld van te kunnen maken, bewaren en tonen.

Deze uitvinding van Rein Jelle Terpstra geeft aan de niet gemaakte foto met de onthulling en in-gebruikstelling van de tafel een institutionele status. Ook de niet-gemaakte foto hoort vanaf nu bij de fotografie. Wie in het digitale archief van het fotomuseum de namen opzoekt van de fotografen die een bijdrage aan de tafel geleverd hebben, zal ook een niet-gemaakte foto aantreffen; dat wil zeggen een blanco vel en eventjes een flard van het audio-document in de tafel.
Denk niet dat het om een in zichzelf besloten kunstwerk gaat, bij deze tafel. Het is eigenlijk een voertuig, een medium. De tafel is het platform waarop de niet gemaakte foto’s van over de hele wereld zouden moeten verschijnen. Stel je voor dat de tafel in Myanmar stond, in Teheran, in een favela in Rio de Janeiro. Plaatsen waar fotograferen een radicaal andere activiteit is dan in Rotterdam en waar de niet-gemaakte foto dan ook heel andere verhalen en gedachten losmaakt. Een foto schept daar andere beloften, raakt aan andere taboes en roept andere risico’s en kansen op dan hier. Er zal mee begonnen worden een tiental teksten in het Engels te vertalen om zo makkelijker de schrijvers en fotografen in andere delen van de wereld bij het project te betrekken. Als schaduw van de beeldcultuur zal de niet-gemaakte foto zich over de wereld verspreiden.

Je zult merken dat, naarmate een audiodocument zijn einde nadert, het scherm gaat schemeren tot het bij het einde van de gesproken tekst op zwart gaat. Waarom is dat zo’n sterk beeld? Misschien wel omdat ermee gezegd lijkt dat onze hersens de ware doka’s zijn. Ter herinnering aan het feit dat alle beelden opdoemen en weer wegvallen in het donker van de tijd. Ter herinnering misschien wel aan de betrekkelijkheid van ons gezichtsvermogen en onze archieven, als herinnering aan de vele manieren waarop we blind kunnen zijn.

Dirk van Weelden 2010

Meer over de tentoonstelling: Nederlands Fotomuseum

Een reactie plaatsen